zoekt, staat er opeens een knappe man voor haar. Zijn lichte buiging is volmaakt, zijn lach innemend.
„Mevrouw, staat u mij toe dat ik me voorstel. Ik ben Michaël Gerstanowitz.”
Josina kijkt op naar de rijzige figuur. Naar het heerszuchtige gezicht met de grijze ogen, de brede neus, de mannelijke en zinnelijke mond, het diepzwarte, golvende haar met het opkomend grijs aan de slapen.
Zij reikt hem de hand, zijn handkus is speels.
„Mijn zuster heeft mij van u verteld,” zegt zij scherp. Verrast en onderzoekend kijkt hij haar aan, antwoordt: „Ik hoop niets dan goeds, mevrouw Lezer.”
„Haar verhaal was kort en bijzonder. Moeilijk onder te brengen in een van de begrippen, die ik toen kende.”
Een moment bijt hij zich op de lippen, maar dan glimlacht hij weer. „Wilt u mijn groeten overbrengen?”
„Nee . . . mijn zuster is gelukkig getrouwd. Déze herinnering aan haar meisjesjaren dient voorgoed vergeten te blijven.” „Mevrouw, u bent zeer mild voor Mirjam ... en voor mij.” Weer is zijn buiging volmaakt, beheerst trekt hij zich terug. Josina gaat de salon weer binnen en bij haar schoonzuster zitten. Deze donkere, wat zware vrouw lacht haar toe en vraagt: „Maakte Gerstanowitz je het hof, Josina? Hij is de zonde waard.”
„Ervaring, Roza?”
„Godbewaar. Ervaringen met Gerstanowitz zijn gevaarlijk. Geen vrouw is veilig noch heilig voor hem.”
„Waarvan leeft deze man, Roza?”
„Weet ik veel. Zijn vader had wat geld en hij heeft nooit gewerkt. Vermogen schijnt hij toch wel te hebben, want hij geeft handen vol uit. Iedereen verwacht dat het iedere dag kan vastlopen, maar hij gaat vrolijk voort. Hij heeft juist weer een nieuw meisje in een woning gezet en haar van top tot teen aangekleed. Jammer, dat het nu een jiddenkind is, een van Rotterdam.”
232