Hij kijkt haar streng aan, maar zij glimlacht nog steeds en haar ogen vonken speels. „Wat zou je me nu graag willen doen, grimmige beer,” treitert zij.
Hij pakt haar bij de schouders, schudt haar goedmoedig dooreen; en zijn ogen worden mild. „Wat zou ik jou nu kunnen doen, Sien? Wat kan ik anders doen dan God vragen je tot honderd jaar bij me te laten ... en je te zegenen. Wat kan ik anders doen, dan je zoenen en een machteloze geweldenaar in m’n ogen zijn?”
Zij ging op haar tenen staan en hij zoende haar op het voorhoofd en de gesloten ogen.
De uitnodigingen voor diners en avondjes die zij in Amsterdam kregen waren legio. De oude heer Van Cleeff vergezelde hen zoveel mogelijk, omdat hij zo trots was op zijn oudste dochter met haar rijke echtgenoot en dat aan de qehiloh wilde tonen. Zij woonden bij de vrolijke Jochanan, die sinds enkele jaren was getrouwd en al het mogelijke deed om het zijn zuster en zwager naar de zin te maken.
En op een avond geeft hij een partij in zijn mooie huis op de Kloveniersburgwal. Rijtuigen brengen de rijke joodse families. De buitenlantaarns aan het huis doen soms de juwelen flonkeren van de wat corpulente vrouwen, de enkele hardstenen stoeptreden laten de zwaarlijvige mannen soms hijgen. De jonge generatie is i la mode gekleed; zij is vlug en kwiek en geaffecteerd, de emancipatie is bijna voltooid.
In de twee grote ineenlopende salons is maar weinig gedrentel. Men zit behaaglijk en drinkt zijn thee en snoept overvloedig van de schalen met gebak, die de loonkelners steeds weer presenteren. Ook wordt er veel gelachen, want met het verstrijken van de uren wijkt de emancipatie en de geintjes en anekdotes dwarrelen als een vertrouwde geest door deze joodse straatzaal. Want het joodse volk van Amsterdam is gezellig en gemoedelijk, levendig en druk.
Als Josina Lezer in de brede marmeren gang wat verkoeling
231