Daaro ben ik een wanstaltige dikke jodin, een immigrant. Zwijg d’r over, Levie, laat mijn me wereld en m’n menoege.” De volgende morgen vertrok hij weer naar Engeland. Hij was blij dat men hem niet had lastiggevallen, al hadden zekere typen van het Rode Zand en de Dijk naar hem geloerd. Hij wist niet dat de commissaris hem had laten bewaken en dat de onderwereld de wens van de politiechef had geëerbiedigd; een voorlopig geschenk voor het veertigjarige ambtsjubileum, dat hij dit jaar zou vieren.
Op een dag kwam er een schipper bij Josina Lezer. Hij bracht een bericht van Jonas van Gogh, uit Amsterdam.
„Mevrouw, ik most u allenig maar zegge: ‘jonas heb Rachab gevonde in de burg Susan. Of ie komme wil’.”
Hij gaf het adres van Jonas en noemde zijn bodeloon.
Zij ging direct naar de winkel, waar Abraham bezig was de identiteit van een Chinees bord vast te stellen met behulp van een dik boek.
„Brammie, ik wil naar Amsterdam. Jettie is gevonden.” „Door wie?”
„Door Jonas van Gogh.”
„Het schijnt dat Jonas de wrekende gerechtigheid wordt. Overal bemoeit hij zich mee; en dat allemaal overgoten met quasi godsdienstig gebrabbel. Je bent te veel op deze man gesteld.” „Niet jaloers zijn, Brammie. Je hebt ook de kans gehad om Jettie te vinden. Na acht dagen kwam je onverrichterzake terug. Je was alleen vijf pond zwaarder geworden.”
„Wat bedoel je, Josina van Cleeff?” stuift hij op.
„Niet meer dan ik zeg. Maar ik weet dat het moeilijk is om Roza’s kookkunst te weerstaan.”
Zij glimlacht op een bijzondere manier, slaat een denkbeeldig pluisje van zijn revers en vervolgt: „We gaan samen naar Amsterdam. Dan mag jij Jettie vangen en ik ga kijken hoe Mor-dechai het maakt. En Susanne in haar eerste betrekking. En we zijn weer eens uit, samen uit.”
230