lier. Later werd het stuk geveild en het was via een Londense makelaar in het bezit gekomen van de tabakskoopman Riet-born. Dat was het gemakkelijkste deel van het onderzoek. Daarna had Levie de Braziliaan gezocht en gevonden. Hij heette Don Miguel Mendez de Quijada en woonde op een plantage, honderd mijl achter Santos. Hij was een dikke vetzak die dolblij was met de afleiding, nu er een Europeaan op zijn bezitting was aangekomen. Diezelfde avond was er een uitbundig feest met ontzaglijke hoeveelheden eten en drank. En veel meisjes. Toen Don Miguel goedmoedig beschonken was vertelde hij aan Levie, de grote Engelse speurder, dat de verkoop van die gouden beker niets bijzonders was geweest. Hij had het hele familiebezit juwelen, inclusief die van zijn zuster, verkocht. Hij had geld nodig, een misoogst en een vreemde ziekte onder het gewas hadden hem in ernstige moeilijkheden gebracht. Voor hem en zijn familie telde slechts een ding en dat was de plantage. Die moest in stand blijven. Juwelen kon men ieder uur van de dag kopen, goede plantages niet, dat duurde soms een mensenleeftijd. Hij had goed gedaan; de volgende jaren waren de oogsten puik en hij had meer en mooiere iuwelen teruggekocht. Hij liet zijn zuster roepen om haar sieraden te tonen aan de Engelsman en werkelijk, Levie had versteld gestaan.
„Hoe zag die dame eruit, heer Rosenfeld?” vraagt Manuel. „Mijnheer Belmonte . . . een ton, een leliike ton!”
Manuel kijkt onthutst, maar dan moet hij opeens zo onbedaarlijk lachen dat Levie er verlegen van wordt.
„Heb ik iets onbehoorlijks gezegd, mijnheer Belmonte?” „Welnee! Ik moet lachen om het idee dat ik u de halve wereld laat afreizen om dit te horen. De vurige wraakzuchtige Don Miguel Mendez de Quijada is een dikke vreetzak geworden en mijn warmbloedige watervlugge Dulcinea is een ton . . . een dikke ton! En dit bericht kost mij, heer Rosenfeld?”
Levie betuigt de spijt van zijn principalen dat zij zoveel kosten moesten maken voor zulk een simpel geval. Maar zij
227