koffie voor hem te halen. Voordat hij drinkt, vraagt hij: „Wat is de prijs voor deze kom koffie, mevrouw Josina?”
„Luister naar wat er geschreven staat, Jonas.”
Verrast kijkt hij haar aan en strijkt weer langzaam zijn baard. Zijn ogen lachen. „Nam God nogmaals een rib uit een mannenlijf? Nu uit het oude karkas van Jonas van Gogh? Wat heeft de manninne te zeggen?”
„Jonas, dit verhaal klinkt beter als tekst en je zult me begrijpen.”
Hij sluit zijn ogen en wacht. En strijkt zijn baard. Hij hoort: „Een jonge dochter was gelijk Rachab van Jericho. Toen dit nu de Richter werd geboodschapt nam hij zijn reismantel. En ging uit onder de Filistijnen om haar te zoeken. Maar zijn geroep was ijdel. Toen nu zijn huisvrouw gekomen was, zo kocht zij haar van de Filistijnen met gouden talenten. En haar zorgen waren om haar. Als nu negentig dagen waren verstreken ging een geween door alle huizen: want de koop was ijdel geweest. Ziet, de jonge dochter was stillekens gevloden. En de Richter en de oudsten, zij zochten en vonden niet. En er was droefenis in het hart van zijn huisvrouw om deze dochter van Juda, die was gelijk Rachab, de vrouw van Jericho.” Jonas knikte, zijn ogen lachen weer. ,,U zult nog veel moeten lezen om het te zeggen zoals ik, mevrouw. Hoe heet deze hoer?” Josina schrikt van het harde woord en de opeens onverbiddelijke ogen van Jonas van Gogh.
„Jettie van Bienen, de dochter van gestorven Saartje.”
„Wees gerust, vrouw van de stadvorst. Ik zal gaan en haar vinden.”
Hij rijst op en wenkt Josina bij zich. Onderdanig komt zij naar de aartsvader, die met een vinger haar kinnetje optilt, zodat zij in zijn grijze ogen moet kijken.
„Wees gezegend, Josina Lezer, wees gebensht voor het goede dat je heden weer deed.”
Dan zwaait hij de zak over zijn schouder en stommelt de trap af. En de Buurt zag hem weer gaan, gebogen onder zijn
225