jongeman, die zolang de zaken waarnam, een commies van een christencollega van Abraham, keek zeer verwonderd naar deze patriarch, die op de dekenkist ging zitten alsof dat zijn dagelijkse plaats was. Nadat Jonas zijn zak met bijbels tussen zijn benen had geschikt, bekeek hij met halfgenepen ogen de jongeman en zei: „Roep uw heer en zeg: een der oudsten van Israël is daar en wacht bij uw roof.”
„Wat zegt u? Ik begrijp u niet. De heer Lezer is op reis.”
„Ga dan henen en verkondig zijn huisvrouw: Kom af naar de dorsvloer. Want er is een man verschenen. Oud en der dagen zat.”
De jonge man kijkt aarzelend naar Jonas, die het hoofd leunt tegen de eiken betimmering. Hij heeft de ogen gesloten en strijkt zijn baard met lange halen. En de jonge commies aarzelt nog meer, als hij een vrolijke spot op Jonas’ gezicht meent te zien.
Haastig komt Josina naar beneden. Zij nodigt Jonas uit om boven te komen koffie drinken; en de patriarch bestijgt langzaam de trap. Want de zak met bijbels heeft hij weer op de rug genomen. Vrijwel nimmer laat Jonas zijn koopwaar onbeheerd, sinds jaren geleden iemand twee bijbels uit zijn zak stal. Hij werd door de vcldwacht verhoord, omdat de boer in wiens schuur hij had geslapen uitgemaakt wilde zien wie Het Woord des Heren in meervoud had gestolen.
Jonas had een vreemd antwoord gegeven toen de oude wachtmeester hem gevraagd had, wie hij verdacht.
„Geen mens, hoofdman. Wie steelt er nu een bijbel? God-zelve nam ze.”
„Wat zeg je, koopman?” vroeg de wachtmeester, een beetje boos.
„Godzelve. Want Hij wilde nu wel eens lezen wat er in zijn naam allemaal gezegd wordt.”
„Waarom nam God er twee, oude spotter?” driftigde de wachtmeester.
„Tja, hoofdman, dat kunnen twee redenen zijn. Eén bijbel
223