Josina legt haar breiwerk neer, «aart in de vlammen van het haardvuur. „Ga naar je vrinden, Jan Moker en Gijs van der Zwan. Ze zullen je de weg wel wijzen.”
„Mijn vrienden? Ben je dol?!”
„Ze zijn je vrinden en in hun soort zijn ze af. Ze hebben eerbied voor je en zijn je genegen. Waarom zouden zij de naam vriend niet verdienen? En ze zullen het graag tonen ook, meer dan de mannetjes uit de geciviliseerde sector. Ik ga nu naar bed, als je nog wat eten of drinken wilt vind je het wel in de keuken, de meisjes zijn vroeg gaan slapen, want het is morgen wasdag. Welterusten.”
Hij bleef op en neer drentelen, drift woelde in hem, drift tegen iedereen. Tegen Jettie, Josina, tegen de logica, tegen Jan Hey en Gijs. Dan opeens pakt het hem, hij slaat met deuren en als hij tot kalmte komt staat hij tegenover een zeer verwonderde Jan Hey. Met zijn hoed in de nek en met kierende jas. En Jan Moker huivert in roodbaaien ondergoed in het deurgat van zijn huisje, omdat hij geschrokken uit zijn bed was gesprongen. Denkend dat mijnheer de commissaris hem weer eens liet halen. En Abraham moest opeens lachen omdat Jan Moker eruit zag als de beul van Haarlem met een dom verslapen gezicht.
Jan Hey deed zijn best voor Abraham Lezer, tegen de regels van de onderwereld in. Hij bereikte niets, maar verborg dat achter een reeks van geheimzinnig gefluisterde berichten, die hij Lezer bracht. Meestal ’s avonds laat.
Maar op een dag had Abraham Lezer er genoeg van en zegde tegen Josina dat hij naar Amsterdam ging om daar te zoeken. Uit de berichten van Jan Hey had hij de richting van Jetties vlucht wel kunnen opmaken. Josina schreef een brief aan haar broer, zij wilde niet dat Abraham in een hotel zou logeren. Haar man moest de volledige familieontvangst genieten.
Toen Abraham dan op reis was gegaan, stond, op een morgen in december 1838, Jonas de bijbelventer in de winkel. De
222