„Met jullie bedoel ik al de mannen. Meestal denken jullie in ontrouw. Misschien is de oosterse veelwijverij nog niet zo verwerpelijk. In ieder geval beter dan de heimelijke westerse.”
„Klets, onzin. Als een vrouw wil, is ze kuis en trouw aan haar man. Er zijn net zoveel polygame vrouwen als mannen, want voor ieder potje is een deksel.”
„Zwijgen wij erover, Brammie. Wij weten er te weinig van en die theorieën, wat voor waarde hebben ze? Laat men de oorzaken wegnemen, dan verdwijnen de gevolgen. Hoeveel oorzaken zouden er zijn waarom een man of een vrouw losbandig wordt? Laten we zeggen dat het vrije verkeer tussen man en vrouw de natuurvorm is en het gereglementeerde, onze beschaving, het ontaarde. Zwijgen we erover.”
„Maar wat moet het nou met Jettie?” vraagt hij korzelig.
„Wij hebben onze plicht gedaan.”
„We kunnen toch niet toelaten dat een joods weesmeisje de baan opgaat? Dat zal ik nooit goedvinden .. . nooit en nooit.”
Hij staat op, drentelt door de kamer, verzet hier en daar kwaadaardig een beeldje, een stukje koperwerk of zilver.
„Zoek haar dan en bind haar vast,” bitst Josina.
„Wat een sjmoes! Zoek haar dan en bind haar vast!!” zegt hij driftig.
„Wat dan? Je lamenteert of je doet er iets aan, er is geen tussenweg.”
Hij kijkt haar aan, kregelig door haar logica, die hij niet wil erkennen. Want daarvoor is hij te veel man.
„Waar zou ze zijn?”
„Je weet toch alles? ... van de Buurt, van de hele stad ... meer dan mijnheer de commissaris!” spot Josina opeens, met de opstandige wellust van een vrouw die het opneemt voor een opgejaagde zuster.
„Waarom treiter je me? Is er iets?”
Hij klopt dreigend op de donkerglanzende mahonietafel, waarop slechts een kostbaar kanten kleedje ligt en een kristallen luchter met kaarsen staat.
221