gaat, volgens de regels van het huis Belmonte Lopez de Vega?”
„Ja, maar toch zijn twee kameniers onzin en een koninklijke weelde.”
„Aha ... is het dit, moeder?”
„Ja ... ik neem de tweede kamenier. Het kind behoeft niet brodeloos te worden.”
„Niet alleen brodeloos,” zei hij peinzend.
„Het was nu eenmaal een dwaasheid en de hoonlach hoor ik nóg. Maar jullie hebt je best gedaan om haar op weg te helpen, daarom zal ik ook het mijne doen.”
„Zeer edel van u, moeder!” spotte hij.
Mirjam had geen bezwaren. Zij was eenvoudig, zelfs één kamenier hinderde haar. Doch Manuel kende hierin geen concessies. Hij was en bleef de zoon uit het huis Belmonte en had zijn eigen opvattingen van standing.
Maar Jettie was nauwelijks vier weken bij Jolanthe of zij was verdwenen. Op een dag in oktober van 1838; en zij had haar gehele garderobe meegenomen maar had haar loon niet gevraagd.
Jolanthe was razend van woede. Zo een vlugge vakkundige én gezellige kamenier had zij nog nooit gehad. Daarbij kwam haar teleurgestelde moedergevoel; zij had zo graag óók een dochter gehad. Maar langzaam aan vergat zij haar boosheid, dacht glimlachend terug aan het vrolijke Rotterdamse kind en hoopte dat het zou terugkomen.
Josina en Abraham waren er stil van. Zij dachten niet aan Jolanthe of Mirjam, des te meer aan Jettie. Want beiden voelden dat Jettie verloren was.
Op een avond zit hij bij het haardvuur en blaast zachtjes en peinzend tegen het smeulende puntje van zijn sigaar. En zegt: „Temeijes worden geboren . .. niet gemaakt.”
Josina haalt de schouders op en antwoordt korzelig: „Weet ik niet, Brammie. Ze zouden er niet zijn als jullie ze niet nodig hadden.”
„Wat zeg je!!?”
220