„En . . .?” vraagt Josina zacht.
„Tantelief, het kan zo niet blijven. Reeds vier jaar leven wij op de zak van oom Bram. Ik ben nu klaar met mijn studie en ik zal een betrekking zoeken. Ik zal dan zorgen voor Su-sanne en een bruidsschat voor haar sparen.”
„Wat wil je worden, Mordechai?”
„Ik weet het niet... ik zal alles aanpakken. Op kantoor of in een magazijn, misschien op een bank.”
„En jij, Susannetje? Ben jij het eens met Mordechai? Wil je ook op eigen benen staan, tenminste straks als je meerderjarig bent?”
„Ja, tante,” zegt ze bedeesd.
Het is nu stil. Een late vogel fluit en wordt beantwoord, het koren ruist zachtjes, in de verte kwaken kikkers en vreemde geluiden komen van de velden. Zij kijken voor zich uit, drie gedachtenwerelden dicht naast elkander op een bank achter de boerderij.
„Mordechai, ik heb altijd gedacht dat je naar de rabbijnenschool wilde?”
„Ik heb dat gehoopt, tante. Maar het is te lang om op ooms kosten te leven. Ik zal trachten zoveel te verdienen dat ik later misschien toch nog kan gaan leren van mijn spaargeld.”
„En jij, Susanne?”
„Ik zal een betrekking zoeken, volgend jaar. Bij u heb ik zoveel geleerd, dat ik bij de eerste families zal kunnen dienen,” zegt ze met haar zachte melodieuze stem.
„Heb je dat altijd gewild, Susanne?”
„Ja . . . tante.”
„Dus je hebt altijd verlangd ondergeschikt te zijn?”
Susanne zwijgt. Weer zijn er slechts de vallende avond en de geluiden van het veld. En het maanlicht dat allengs machtiger wordt.
„Jullie zijn goede kinderen. Luister naar je tante Josina. Eerst jij, Mordechai, omdat je een man bent geworden. Jij zult
217