meid van de straat in haar voorname huis, foei. Manuel lachte onbedaarlijk, in jaren had hij niet zo’n plezier gehad. Hij zegde: „Mirjam, doe je best. Het is zo weinig wat jij nu moet doen in vergelijking met de strafexpeditie van Josina. Ik zal omzien naar een nette commies om haar uit te huwelijken, zodra ze door jou is geschaafd en gepolijst. Haar verschijning is het waard.” „Manuel, we worden de risée van onze kringen.”
„Mirjam, je praat als mijn moeder. Waar is mijn lieve, eenvoudige Mirjam uit het huis Aaron van Cleeff?”
Zij keek naar de grond en kwam toen plotseling naar hem toe. En zoende hem omdat zij opeens vertederd was door deze vrolijke berustende invalide in zijn rolstoel.
In de volgende weken deed zij eerlijk haar best om van het verdoolde kind een volwaardige, goedgeklede en beschaafde vrouw te maken.
Die zomer, het was augustus geworden, deed Abraham iets dat hij nog nooit had gedaan. Hij stuurde Josina en zijn pleegkinderen naar buiten met vakantie. Hij bracht hen met de grote huurkoets naar het dorpje in de provincie Utrecht, waar zij zouden logeren bij een joodse veehandelaar die ’s zomers graag gasten had. Niet om de verdiensten, maar omdat hij het gezellig vond en snakte naar wat contact met de wereld. Want leven in de medinoh was leven in afzondering, al waren de dorpsbewoners nog zo vriendelijk voor 'hun’ joden. Een weekje bleef Abraham bij hen, toen reisde hij terug naar Rotterdam en zijn zaken. Aan het einde van de vakantie zou hij weerkomen om hen terug te brengen.
En Josina geniet van de rust met de kinderen van Ger-shom Speyer. Met Susanne, het bijna meerderjarige stille, welgemanierde meisje en de negentienjarige Mordechai.
Op een avond zitten zij buiten op de bank achter het huis en kijken over de velden, die langzaam verdonkeren. Mordechai zegt: „Tante, ik heb over onze toekomst gedacht. Van Susanne en mij.”
216