,,Nee ... jij blijft. Niemand gaat mee, zelfs geen dienders.” Zij was zo vastberaden dat hij haar sprakeloos bleef nastaren, totdat zij zich een weg had gebaand door de menigte voor de wmkel. Men volgde haar op een afstand, stil, langzaam. Als een taaie lavastroom.
En op de Dijk stroomden weer de meiden en de kerels uit de huizen en de kroegen. Ook de lachende zeelieden die plezier kregen in de rel die ging komen. Daar stonden nu de twee buurten van Rotterdam na jaren vijandig tegenover elkaar en het werd stil als op een begraafplaats.
Josina liep naar de groep die voor het bordeel stond. Zij maakte slechts een kort gebiedend handgebaar en de kerels weken aarzelend terzij, sleurden de meiden weg, die niet zo bereidwillig waren.
Josina Lezer ging naar binnen en trof de waardin in het kleine benauwde gangetje. Men zag haar fleurige verschijning als een licht in het donkere deurgat.
,,Ik verlang dat dit meisje Van Bienen onmiddellijk met mij meegaat.”
„Zóóó . . . verlang jij dat. Begin je soms zelf een huis?” „Zwijg liever als u geen beter antwoord kunt geven. Ik heb gezegd . . . 'onmiddellijk’ en wens te worden gehoorzaamd.” „Wil jij een pak op je verdommenis, fijne kakmedam?” „Wat ik wil heb ik gezegd. Zitten uw dochters óók als publieke vrouwen?”
„Wat zeg ie . . . me dochters? Ik snee ze liever ope.”
„Dan begrijpt u me beter, nietwaar?”
„Is die meid jouw dochter?”
„Een dochter van mijn volk.”
„Stik ... je lijkent de domenee wel. En wat dach ie, da'k die strop nam? Nieuw ondergoed, japonne en een week te vrete gegeve. Dach ie dat?”
„Hoeveel?”
„Wat hoeveel?”
„Wat kost de vrijheid van dat meisje?”
214