Omdat zij een schaduwzijde was geweest van het Licht dat Hij heeft gemaakt.
Jettie bleef achter in het oude bovenhuis. Alléén met de diepe armoede, want zij verdiende nauwelijks genoeg om voedsel te kunnen kopen. Het loon van een meid voor het grove werk in hotel St. Lucas was nu eenmaal zeer laag.
Nauwelijks waren de vier treurweken om of er golfde wederom een ongeluksboodschap door de Buurt. Een vreselijk bericht, dat door de joodse gezinnen werd gevoeld alsof zij gezamenlijk aan de schandpaal stonden.
Want Jettie van Bienen zat als meid in een bordeel op de
Dijk.Als een razende god bulderde Abraham Lezer in zijn winkel, gooide in drift een kostbaar Chinees bord aan gruizels. Maar dat kalmeerde hem en bracht hem tot bezinning. De Buurt stond weer voor zijn winkel want Brammie zou uitgaan voor een kind van Israël; gekleed in zijn sjabbespak en met zijn onheilspellend tikkende stok.
Maar op de Dijk dromden de meiden en de pooiers dreigend om hem heen en zelfs Gijs van der Zwan kon hem niet bereiken, zovelen waren er en zo groot was de macht van de vrouwenhandelaren. De dienders van de Grote Paauwensteeg ontzetten hem met moeite. Verslagen en onpasselijk van ingehouden drift kwam hij terug in zijn winkel; ervoor dromde de Buurt, zwijgend en treurig.
Josina kwam. Zij bracht hem een glas wijn met water, dat koel en kalmerend was. Zij stond voor hem, gekleed in haar meest elegante wandelkostuum, met een klein strooien luifel-hoedje op de zilverwitte haren, met een zeldzaam kanten sjaaltje rond de schouders. En zij droeg zwarte mitaines, scherp afstekend tegen de grijze kleur van haar kleed.
„Ik ga. Brammie, voor Jettie van Bienen,” zei ze beslist.
„Jij? . . . jij. . . tussen dat tuig? Nooit!”
„Ik ga, Brammie.”
„Dan ga ik met je mee.”
213