Saartje wordt rood van opwinding en plezier en tussendoor moet zij dikwijls huilen en dan rollen haar tranen in haar soepkom. De stemming wordt vrolijker en zij lachen en praten over mensen en toestanden in de qehiloh. De uren verstrijken.
Dan is er zwaar gestommel op de trap. Verschrikt kijken de vrouwen naar de deur, die zachtjes wordt geopend. Daar zijn Abraham Lezer en Elia van Zuiden, Jacob Haagman, Semmie Pieper, dokter Prins en de rabbijn.
Het is even stil, dan davert het keukentje van Abrahams forse lach en de vrouwen staan bedeesd en beschaamd op.
,,Een kraamvisite in plaats van een sjiwwe. Wat doen jullie? Samenzweren tegen koning Willem?” vraagt hij.
Men praat dooreen, de mannen moeten beslist allemaal een kom soep drinken, opeengedrongen in Saartjes keuken.
„Nebbisj, ze houdt geen droppel over,” zegt Lebber Vijg.
„Geeft niks, geeft niks, vlees en mergpijpe en water, die benne d’r genog in de wereld,” roept Saartje, „maar kowed en vrindschap, die benne te min.”
„En nou naar huis, allemaal, het is over twaalven,” commandeert Abraham.
Zij gaan, plezierig druk en de laatste is Sheintje Rosenfeld. Voordat zij weghijgt naar beneden heeft zij haar geldknip uit de zak onder haar bovenrok genomen en ondere iedere mok een zilveren gulden gelegd, langzaam, alsof het een spelletje was. Saartje was sprakeloos, toen zoende zij Sheintje smakkend op beide wangen.
Jettie leunde tegen de muur, met gesloten ogen en een verbeten verkommerd gezicht.
In Mei werden de vrouwen van de taharoh nogmaals door Jettie geroepen om te komen. Ditmaal was de dood vastberaden en nam Saartje van Bienen. Een vroeg oud, verlept en stukge-werkt lichaampje, dat zijn taak had vervuld. Een geringe in de ogen van de qehiloh, een grote in de ogen van de Schepper.
212