„Oi,” is alles wat Sheintje kan zeggen en zwaar valt zij neer op de andere keukenstoel, die vervaarlijk kraakt.
„We dachten . . begint Josina ernstig.
„U heb goes gedacht gehad, mevrouw,” zegt Saartje. „Adau-shem. . . wat was ik ziek. Maar jullie zalle niet glove, opeens voel ik me een stuk beter. Opeens zeg iemand tege me: 'Staan op, Saartje, ik mot je nog niet!’ Ik staan op en voel me goed, zo goed, dat ik trek kreeg in een koppie soep. Over m’n einde, daar knapt 'n mens van op.”
„Ken je niet waarschouwe, Saartje, motte we daarom voor niks komme in zo’n beesteweer?” bitst Sheintje Rosen-feld.
„Oi, ken ik gaan naar buite? Ken ik gaan naar buite in zo een orkaan, as men juist hcrreze is van de dood? Waar is je gochme, Sheintje? En Jettie was toch ook weg?”
Dan ziet zij dat de andere dames nog staan. Daarom zegt ze: „Haal stoele, Jettie, uit de voorkamer. Hoe ken men z’n visite late staan. Vlug, kwaïe meid!”
Jettie begint te huilen, opeens. Gierend, van gebroken spanning.
„Kom, kom, Saartje, niet zo hard tegen een goed kind,” zegt Josina, terwijl zij haar hoofddoek losknoopt. Ook de andere vrouwen ontknopen hun mantels, want het is benauwd warm in Saartjes keuken.
„Gane jullie nou es effe gezellig zitte en drink een kop soep. Dat zal jullie goed doen in die kou,” zegt Saartje gemoedelijk.
Er is gestommel met stoelen, er is opeens ook wat gelach. En dan zitten zij bij Saartje aan tarel in het warme keukentje. Saartje schept bedrijvig grote mokken vol krachtige soep en haar ogen glanzen van plezier.
„Gein . . . een grote gein. Heb iemand ooit de generale repetitie meegemaakt van ze laatste uur? Heb iemand ooit de vrouwen van zijn taharoh bij zich op visite gehad? En onthaald?!!!” Zij lacht, zodat de tranen over haar wangen rollen,
210