rond in de voorname kamer, dan zegt zij bedeesd: „Mevrouw, wilt u komen? Met de vrouwen, want het is ernstig met moeder.”
Josina staat snel op, loopt nu naar het magere meisje, vraagt: „Is de dokter bij haar?”
„Ik heb dokter Prins gevraagd, maar hij is nog niet gekomen. Misschien wil hij niet, want we hebben hem nooit kunnen betalen.”
Kort en beslist klinken de bevelen van Josina; het eerste meisje brengt schuw haar zware mantel en wollen hoofddoek, haar waterdichte onmodieuze schoenen.
Abraham kijkt verbaasd, want dit is voor hem een nieuwe Josina, deze vrouw met haar korte energieke gebaren en het vastberaden gezichtje.
„Kom mee, mijn kind.”
De wind giert en buldert, met moeite houden de vrouwen zich staande. Zij gaan langs de kruier Semmie Pieper en kloppen hem uit zijn huis. Want Semmie moet gaan naar de vrouwen, die komen moeten om te waken of. . . om de dode te wassen, te kleden, te kisten samen met de zakjes aarde uit Kanaan. Hij moet gaan naar Bathseba van Zuiden, naar Sheintje Rosenfeld, naar Betsie Haagman, naar zes vrouwen van de Buurt.
En als Josina Lezer gekomen is in het huis van Saartje van Bienen, dan is daar geen stervende. Want Saartje zit aan haar keukentafel, weliswaar gekleed in nachtjak en slaaprok, maar dat is dan ook het enige dat aan een bedlegerige vrouw herinnert. Josina is sprakeloos, Jettie ontdaan.
„Moeder, wat doe je!” roept ze.
Saartje lacht; haar handen omvatten de mok, waarin dampende soep is, de vetkraaltjes schitteren in het licht van de grote kaars op de keukentafel.
Voordat Saartje kan antwoorden is er gestommel op de trap. En dan komt hijgend het zware lichaam van Sheintje Rosenfeld binnen, gevolgd door Bathseba van Zuiden.
209