„Jij. Begin een zaak, laat hem er iets in doen, anders komt zijn mannelijke ijdelheid in verzet.”
„Wat zou ik moeten beginnen? Ik heb geen verstand van zaken.”
„Toch wel, Lea. Open een zaak in garen en band, katoen en alles wat de boeren nodig hebben. Stuur David met een hondewagen de polder in om wat bij te verdienen. En dan kan hij rustig lopen dromen en praten met Haqodaush boroech hoe. Neem een derde van je bruidsschat, leen een zelfde bedrag van je schoonmoeder en ik zal het ontbrekende geven. Dat doe ik, dat je bij me zult komen om te vertellen hoe het reilt en zeilt. Ik wil dat jullie slagen in het leven, want wij joden moeten los van de gettosfeer. Soms kan ik je schoonmoeder bewonderen om haar moed.”
Lea heeft het hoofd gebogen, bijt nerveus op haar nagels. En vraagt: „Als er nu kinderen komen, mevrouw?”
„Een vrouw is taai. Ook Rachel Houtkruier had drie kinderen en géén man. In de Keizerstraat is een lege winkel, huur die en David gaat de boer op.”
Lea antwoordt niet. Zij moet steeds kijken naar Josina Lezer, die breit. Zij ziet het lieve gezicht, dat toch energiek is, omlijst door grijzende haren. Zij bespeurt de grenzeloze rust en beheersing; daarom wordt Lea stil, bedeesd stil, wat tegen haar aard is. Zij kijkt naar de empirependule, die voornaam staat te tikken op de marmeren schoorsteenmantel. Haar ogen dwalen door de kamer, langs de rijkdom van antiek en schilderijen, zien de kraakheldere en intieme gezelligheid; en zij voelt de weldadige rust van de museumachtige sfeer. Rust. . . rust . . . rust.. . rijkdom ... rijkdom. De pendule tikt het levenslied van het huis Abraham Lezer.
Josina kijkt op, recht in de ogen van Lea, die de hare verward neerslaat.
„Lea Houtkruier, wat je hier ziet en zich nestelt in je gedachten is de geest van het huis Aaron van Cleeff en Zonen,
207