snijkanten de rijke vulling met schijven appel, rozijnen en krenten en sukade.
„Nou, Lea, drink je koffie met plezier en eet je appeltaart. En daarna vertel je me van die nar David, die wil leven als een dorpshoofd in Kanaan.”
Maar Lea heeft geen geduld om eerst te drinken en te eten, daarom neemt zij een slokje en een hapje.
„Mevrouw Lezer, wat moet ik daaraan doen. Hij is nu al jaren bij Mendels en Van Leeuwen en blijft maar pakknecht. Als hij z’n sjabbes en feestdagen maar heeft is hij meer dan tevree. Geen grein energie om vooruit te komen.”
„Hebben jullie geld om iets te beginnen?”
„Nee . . . hij heeft altijd het geld van z’n moeder geweigerd. En mijn bruidsschat was klein, omdat ik een arme jongen wilde, tegen vader en moeder in.”
„Is die bruidsschat verbruikt, Lea?”
„Nee, mevrouw Lezer. Ik heb het geld krampachtig vastgehouden; als David eens zonder werk komt, kunnen wij vooruit zonder de bedeling. In nood kan ik een beroep op mijn schoonmoeder doen, dat heeft ze mij beloofd.”
„Lea, een man als David wordt nooit een goed zelfstandig koopman. Hij is een dromer en zou het liefst studeren in Thora en Talmoed. Je weet wel, zo zijn er in Polen en Rusland duizenden, die maar lezen en leren en bekvechten over een tekst, over een letter in een vers. En de vrouwen moeten de kost verdienen.”
„Wij leven niet in Polen, mevrouw Lezer.”
„Als je hem dwingt, verliest hij al jullie spaargeld. Lea, hou je van David?”
„Hoe kunt u dat nou vragen? Natuurlijk hou ik van hem. Hij is een beste man, die al het mogelijke doet om me het naar de zin te maken. En nooit een ander, geen blik. Een goedzak.” „Lea, met een goedzak heb je rust en. . . armoede. En armoede is op den duur ook geen rust. Je zult zelf moeten aanpakken, precies eender als die Poolse vrouwen.”
206