David Houtkruier wordt opeens ernstig. Hij is vroom en duldt geen grapjes over ritus of tekst. Abraham ziet het, gaat verder: „Nu gebruik ik hem, maar verslijten doe ik hem niet. Soms ben ik doodmisselijk, want er komt bijna geen eind aan dat ons tabak. Misschien heb ik nog eens het geluk, dat hij breekt, al jaren ga ik er nonchalant mee om zonder resultaat. Maar, David, wat wil je? Was je verlangend mijn gezicht te zien of moet ik je raad geven of je de benoeming tot burgemeester zal aannemen?”
„Mijnheer Lezer, ik heb een brief ontvangen van moeder. Weer dringt zij aan om naar Parijs te komen, het schijnt haar bijzonder goed te gaan. Ze schrijft dat ze alles opbouwt voor haar kinderen, zodat we eindelijk verlost worden van de getto-sfeer en leven kunnen als de christenen, rijk en werkelijk vrij.” „Zo, zo, werkelijk vrij. Ik ken dat. Geen sjabbes meer, geen Grote Verzoendag, geen Pasen of urim. Treife vlees en brood en boter.”
„Tamar heeft ook geschreven en erg aangedrongen. Het was er heerlijk, concerten, theater, een bruisend leven.”
„Die Tamar. David, ik zie het nu veel zwarter. Tamar met een christenman. Uria met een shiqsie. Wees dankbaar, dat je getrouwd ben met Lea en als je gaat, word je ook verslonden door die emancipatie. Ik vraag me wel eens af of Napoleon wel goed heeft gedaan.”
„Lea wil gaan, wat moet ik zeggen?”
„Waar de man werkt, zal ook de vrouw leven. Zeg dat tegen Lea.”
„Heb ik al gezegd. Maar Lea is slim en ze antwoordde: 'Waar toekomst is voor de kinderen, daar zal de man gaan werken en de vrouw volgt dan vanzelf’.”
„Zeg tegen Lea, dat we geen nomaden meer zijn. En dat waar de vader een bestaan schept, de kinderen dat zullen erven.” „Zeg tegen Lea! Ik heb niet veel in te brengen bij Lea,” zegt David kleintjes.
„Stuur haar bij me.”
204