Zand verbruiken zich met drank en bloedige gevechten, de Dijk leeft vrolijk, ruw en onbezorgd haar zeemansbestaan. In de andere wijken breken de voortrekkers uit, stuwen hun zaken omhoog en stoken de eerste vuren onder de ketels, die het bruisende leven van Rotterdam zullen brouwen.
Abraham Lezer zit in de milde junizon voor zijn winkel en rookt uit een geweldige porseleinen Duitse pijp, waaraan een grote kwast bungelt. De jeugd van de Buurt is reeds een paar maal voor hem samengedromd en heeft met grote vragende ogen naar de pijp en Brammie gekeken. De brutalen hebben gevraagd of zij de kwast mogen strelen, wat hij goedgunstig heeft toegestaan. Maar Abraham heeft hen evenzovele keren verjaagd, want jeugd wordt gauw te speels en te vrij. En Brammie is nu zesenvijftig jaar en niet meer zo heel erg wild op kinderen.
Dan loopt David Houtkruier door de Straat, kijkt vragend, en de ernstige jonge man moet glimlachen als hij voor Brammie blijft staan.
„Ja, Davidje, dat is de straf voor een mens, die niet goed heeft ingekocht. Die pijp hier wilde ik jaren geleden met alle geweld hebben, ik ben er zelfs tweemaal om gegaan en die tweede keer was hij een stuk duurder. Een prachtige oorkonde was erbij. Pijp, eigendom geweest van Frederik de Grote. Allemaal zwendel, de pijp en de oorkonde én Frederik de Grote. David, ik ben teruggegaan naar de koopman en nou mag jij raden, wat hij antwoordde: ‘Brammie,’ zei hij, ‘waarom kan die pijp niet van een Frederik zijn, en waarom kan die Frederik niet groot zijn? Ik heb een Frederik gekend, die een meter negenentachtig was. Niet een meter negentig, nee, een meter negenentachtig’, zei de schelm. Kan men met zo’n koopman praten? Nou zit ik er mee, jaren, want wie koopt er zo’n pijp? Misschien straks de opperrabbijn om te gebruiken in plaats van de ramshoorn op Nieuwjaar en Grote Verzoendag. David, stel je de gezichten van de qehiloh voor als die pijp ten hemel wordt geheven.”
203