den van, dat Abraham zo boos is. Maar dan beginnen zijn ogen te twinkelen en hij punt met één hand zijn kneveltje, volgens zijn gewoonte, terwijl hij met de andere zijn wandelstok vasthoudt, die tussen zijn verlamde benen op het voetenplankje steunt. Abraham kijkt onrustig naar zijn zwager, dat ogen-vonken voorspelt niet veel goeds.
„Mijnheer Lezer, ik kom u mededelen, zoals ik reeds schreef, dat de zending antiek uit Londen is aangekomen als een totale puinhoop. En dat ik u voor de gehele schade inclusief de vracht aansprakelijk stel. U had op zich genomen, het transport vakkundig te regelen, het resultaat is een kind van drie jaar onwaardig.”
„Mani! . . . wat zeg je me nou?”
„Mijnheer, ik verbied u deze troetelnaam te gebruiken, die is gereserveerd voor mijn naaste familie. Wij kennen elkander nauwelijks.”
Abraham krijgt het warm, daarom wist hij zich het voorhoofd af met zijn zijden neusdoek. Hij wil antwoorden, doch Manuel maakt afwerende gebaren.
„Genoeg, mijnheer. Ik verzoek u mij te willen aandienen bij mevrouw Josina Lezer. Ik wil constateren hoe zij baar leven verslijt en doorworstelt, naast de baardige dwaas, die haar op een onzalige dag betoverde. Zij is wel zeer zwaar gestraft. En waarom?”
Abraham Lezer kijkt nu zo kinderlijk onthutst, dat Belmonte onbedaarlijk moet lachen en zijn zwager goedmoedig in de buik bedreigt met zijn wandelstok.
„Brammie, rol me naar binnen. Moet ik kou vatten in zeventig graden augustuswarmte? En bovendien heeft de Straat ons nu lang genoeg aangegaapt.”
Met plezierige bedrijvigheid heeft Abraham hem naar binnen gereden, de kamerdienaar is discreet in een hoekje gaan zitten en tracht niets te horen van het gesprek met zijn broodheer.
„Brammie, de zending is er. Wanneer kom je uitpakken en
199