Hij heeft de kamer verlaten, zij hoort zijn snelle passen in de hal, het dreunen van de huisdeur. Zij staat doodstil in haar kamer, de handen tegen de borst gedrukt. En luistert in uiterste spanning.
Dan snerpt een fluitje. Haar hart bonst. Weer snerpt het en het krijgt antwoord van andere, ver weg, uit verschillende richtingen. Een ring van fluitjes sluit zich. Dan verwijderen zich de geluiden; en Mirjam Belmonte weet dat Benaja Stibbe wordt gejaagd als roofwild door mijnheer de commissaris en zijn dienders.
Hij glipte door het kordon en de duisternis slokte hem op. Hij zat die nacht bij de duurste meid van de Zandstraat en betaalde haar in goud om slechts met haar te praten en zijn leed te vertellen. Zij deed haar best om te luisteren, maar geeuwde soms achter haar hand; dat wilde hij niet zien. En de goedkoopste meid van het Rode Zand ontving die nacht haar spion-neloon van de politie.
Het daglicht brak door toen de dienders op de deur van het bovenhuis bonkten en het woord 'politie’ als een ‘Sesam open u’ tegen de gevel opjoegen.
Het toverwoord werkt niet voor deze deur. Wel voor de honderden van de Zandstraat en het Rode Zand, de omliggende straten en stegen, tot in de Buurt. Want het volk snelt toe. Nogmaals herhalen de dienders het machtswoord van de samenleving tegen de enkeling.
De deur gaat open en de vrouw staat op de drempel. „Ik heb niks gedaan,” huilt ze.
„Weten we. Opzij. Het gaat om die bochel.”
Maar op dat moment wordt de vrouw door een duw in de rug vooruit geworpen, zodat zij valt. De deur klapt dicht. Zij ligt voorover op de straat, het gezicht heeft de keien geraakt; zij bloedt uit een gat in het hoofd en uit de neus. Men helpt haar op, zij spuwt een paar tanden uit. De mooie, gewonde meid wordt door een kluwen vrouwen bejammerd en weggebracht.
193