Opeens wordt Mirjam driftig. Zij kijkt fel op, leunt niet meer tegen de muur, maar is met een enkele pas bij hem. Zij stampvoet en slaat hem in het gezicht. „Waarom? Waarom deed je dat, was je haat zó groot?”
„Zo groot was mijn liefde voor jou, Mirjam. Dat ik er een moord voor kon doen.”
„Heb je niet voorzien, dat mijn haat evenredig groeien kon met het leed van mijn liefde. Hoe groot mijn afschuw en mijn rancune zijn tegen de man, die Manuel Belmonte mismaakte voor heel zijn leven?”
„Ik heb dat niet voorzien. En, Mirjam, heb jij voorzien, hoe groot mijn afschuw en rancune zijn geworden tegen de Schepper, die Benaja Stibbe heeft gemaakt en mismaakt voor heel z’n leven?”
„Benaja ... je lastert God!”
„Dat doe ik, met m’n gehele levenswandel. Sinds ik jou verloor laster ik Hem, van vroeg tot laat, met daden én met woorden.”
Zij slaat de handen voor de ogen en snikt. „Ga nu, ga nu. De politie zoekt je. Nog wil ik Benaja in je zien, hoewel ik de commissaris beloofd heb te zullen helpen. Nog wil ik de oude Benaja in je zien .. . maar ik haat je en gruw van je.”
„Om .. . Manuel Belmonte?”
Zij knikt en kijkt niet op, bijt op de knokkels van haar vuistje.
Hij lacht honend en gebiedt: „Luister! Als je man was gestorven, dan zou ik zijn gekomen met mijn gehele vreselijke geest om je te overwinnen en te nemen met je barend vermogen. Ik heb nu gezien, dat ik zou verloren hebben. Ik heb nu gezien, dat ik aan een koortsig waanbeeld heb geloofd, want je verafschuwt me, in plaats dat je ontzet en ootmoedig mijn offer aanvaardt. Een groots offer, als bewijs van m’n liefde. Een vreselijk bewijs, de moord op je man. En het valies, dat was de scalp, die ik je tonen wilde.”
191