minderwaardigheidsgevoel... mijn verlangen. Dat is veel, nietwaar Mirjam? Wat een geestelijke ijzervreter moet ik worden om dat te bereiken.”
Zij blijft hem voortdurend en aarzelend aankijken, belangstellend.
„Mirjam, waaraan denk je?”
„Hoe slecht had jij me kunnen maken! Als je geest langer op me had kunnen inwerken. Als ik je vrouw geworden was, ondanks al dat andere,” fluistert zij.
„Als dat zo beschikt was geweest, Mirjam, ondanks al dat andere, dat alléén je walging tegen dit lichaam kan zijn, dan zou je niet bang zijn geweest. Mijn geest zou je niet hebben gebruikt als een werktuig... want ik kan beide zijn. Een voorbeeld van verdorvenheid, een voorbeeld van rechtschapenheid. Je zou de vrouw zijn geworden van een strenge, rechtvaardige en goede dokter. Geëerd, geacht... mijn gedrag zou je hebben verhoogd.”
„Ben ik de oorzaak van je neergang?” vraagt Mirjam angstig.
„Ja ... maar je wist het niet. Het is normaal dat je verlangde naar Manuel Belmonte, de knappe, de rijke, de exotische man.”
Mirjam buigt het hoofd en staart op het Perzische kleed voor haar voeten. Nog steeds drukt zij zich tegen de muur. Zacht verwijtend vraagt zij weer: „Waarom werd je bende-hoofd?”
„Machtswellust. Het was een diepe grootse bevrediging om mijn verstand zo speels en vastberaden te laten heersen over die rauwe, begerige stukken vlees, mijn bendeleden.”
„En ... die overval op mijn man en . .. mij?”
Even staart hij haar verbaasd aan. Een ondeelbaar ogenblik slaat hij de ogen neer en is verward. Dan glimlacht hij. „Hoe weet je dit, Mirjam?”
„Vraag dat niet, Benaja.”
Hij zwijgt nu en wendt het hoofd af.
190