deren. Maar wat de commissaris reeds had vermoed, gebeurde. Op een avond, midden juli, valt de zware klopper op de deur van het huis Belmonte. De stuurse huisknecht kijkt misprijzend naar de bochel, die zo laat nog door mevrouw wenst te worden ontvangen. Er gaat iets gebiedends uit van Benaja, daarom bekijkt de huisknecht hem nogmaals, vlug, van top tot teen. Het fijne laken van het rokkostuum, het smetteloze linnen, de donkergrijze, harige cilinderhoed geven de doorslag; de huisknecht buigt diep als Benaja zijn kaartje op het zilveren blad legt.
Dan is hij bij Mirjam in de kamer. Mirjam, die hem ontzet aanstaart, al heeft de commissaris dit bezoek voorspeld.
„Mijn God .. . Benaja! Hoe durf je? Hoe waag je het hier te komen?”
„Het is een even groot waagstuk om hier te komen, als in Amsterdam te blijven. De schaal van mijn levenskansen is in zeker opzicht in evenwicht. Ik meen te moeten opmaken uit je opwinding, dat je alles weet, Mirjam.”
Hij doet een paar passen in haar richting. Zij wijkt uit naar de muur, bij de kamerdeur. Zij leunt er tegen en drukt er met haar handen tegenaan, met gespreide vingers. Zij kijkt naar hem, in zijn donkere, roodomrande ogen. Zij ziet erin zijn diepe bevrediging om haar angst voor hem, haar gruwend ontzag voor de beruchte bendeleider. Even sluit hij zijn ogen, in zalig genieten. En Mirjam fluistert: „Alles.”
„Alles, dat kunnen voor jou slechts feiten zijn, Mirjam. Want het waarom ligt verborgen in mijn hoofd en mijn hart.” „Je daden . . . zijn de inhoud van je hoofd en je hart. En die zijn slecht, intens slecht. Hoe is het mogelijk, zo een intelligentie en zo een misdadigheid in één wezen.”
„Mirjam, ik ben gekomen om je nog eenmaal te zien en je vaarwel te zeggen. Ik verlaat het land. Of ik m’n leven zal beteren, weet ik nog niet. Het is wel aandoénlijk: in een nieuw land een nieuw leven beginnen; maar ik moet eerst het oude kwijt. Vooral mijn herinneringen, mijn vernederingen, mijn
189