„Wat betekent van tóén . . . mevrouw Belmonte?” „Herinnert u zich de overval niet meer, toen we terugkwamen van onze huwelijksreis? Toen mijn man voor heel zijn leven invalide werd gemaakt?”
„Kunt u mij, of liever, ziet u enig verband tussen de overval, uzelf en de persoon van Benaja Stibbe?”
Mirjam staart in het licht van de grote kaars, die in een zware, zilveren kandelaar staat te branden op het glanzende damasten tafelkleed. Zij geeft geen antwoord en de commissaris kijkt gespannen naar het vreemde gelaat van Mirjam Belmonte. Hij ziet de kleine tranen opkomen in de hoeken van haar ogen en de kleine, blanke tanden in de onderlip bijten, in uiterste beheersing. Hij wacht heel lang en trekt zachtjes aan zijn sigaar. Er komt geen antwoord. Dan staat hij op en Mirjam schrikt terug in haar heden.
„Mevrouw,” zegt de commissaris vaderlijk, „ik vermoed een tragedie, waarvan u ongewild het middelpunt bent. Daarom vind ik het zeer pijnlijk, dat ik u en uw huis zal moeten doen bewaken. Want zeer spoedig verwacht ik de voortvluchtige bandiet Benaja Stibbe hier in Rotterdam .. . om u voor ’t laatst te zien.”
Langzaam keert Mirjam haar gezicht naar hem toe; een veranderd gelaat, dat hard en strak is en waarin de ogen vurige stenen zijn onder de mongoolse wenkbrauwen. „Mijnheer de commissaris, u kunt op mij rekenen. Want ik heb mijn enige liefde te wreken ... de heer Manuel Belmonte.”
De commissaris boog ... en ging.
De politie speurde naar Benaja Stibbe, de onderwereld joeg op hem om hem te vermoorden. En Benaja zwierf van dorp tot dorp, van stad tot stad. Overdag verbleef hij zoveel mogelijk in herbergen, trok bij voorkeur tegen de schemer of ’s avonds. Hij reisde als een gezeten burger met tamelijk veel bagage, was niet karig met zijn fooien en viel niet op. Niemand verdacht deze mismaakte dokter en men begreep zijn tegenzin om uit te gaan, zijn behoefte om te lezen en te stu-
188