Manuel was onverbiddelijk en zei: „Brammie, als je mij door Regent Street rolt is er deze mogelijkheid. De politie vraagt naar onze bedelvergunning en het publiek is boos, dat ik m’n hoed niet op m’n schoot heb gelegd voor de pennies, die zij willen offeren. Met een duwende dienaar in livrei gaat men ten minste eerbiedig van het trottoir. Aan het laatste ben ik gewend, Brammie, maar ik geef toe, dat het eerste een sensatie zou kunnen zijn, die bovendien een geheel nieuwe wereld voor me opent.”
„Mani, Mani, wat ben je een zeldzame spotter. Ik benijd je levenskunst.”
„En ik jouw gezonde benen.”
„Als ik kon, zou ik ze je geven, Mani.”
„Leugenaar! Maar je bent toch een goeie kerel, die tracht aan z’n altruïsme te geloven. Maar deze reis maak ik als een Russisch grootvorst.”
„Mani, ik heb bezwaren. Je weet, dat ik graag zeer eenvoudig en burgerlijk reis.”
„Daarom reis ik nu met jou én een hofhouding.”
„Mani...”
„Toe maar, scheld me dan maar voor duivel. Dat lucht op. Daarachter verberg je dan je plezier om straks Abramowitch Lezeroff te kunnen zijn.”
En Manuels ogen vonkten van pret om z’n zwager Brammie; en z’n slanke vingers puntten zijn kneveltje, volgens zijn gewoonte.
In die maand juni werd Benaja Stibbe verhoord door de rechtercommissaris. De onderwereld verkeerde in spanning, want als Stibbe zou ‘doorslaan’ moesten er velen onderduiken. Al was hij dan vier jaar een chef geweest, de boeven vertrouwden zijn reactie niet tegenover de heren van het gerecht. Per slot was deze bochel niet uit hun milieu en zijn intelligente en vreemde manier van praten had hen al vaker verontrust. Daarom kwa-een paar zware jongens samen in een huis in de Lange Niezel.
185