en Jan Hey werd onder het stadhuis ingesloten, tien minuten nadat je was uitgegaan.”
„Hoe weet je dat, Sien, hoe weet je dat allemaal zo precies?” „Tja.. .”
Hij ligt op zijn zij in bed, half opgericht. Met zijn slaapmuts op, ziet hij eruit als een reuzenkabouter. Hij slurpt van z’n koffie en gromt, knijpt de oogleden half dicht, zinnend. En lacht opeens gul en daverend naar Josina, zijn vrouw. Het bed schudt en kraakt en hij morst koffie op het laken.
143