vreselijke traan en ieder randschrift is een vloek! Weest blij dat de hoefijzers van de paarden uit Walachije geen randschrifr dragen.”
„Al uw beschuldigingen en uw poëzie zullen ons niet overtuigen noch ons standpunt doen verlaten. Wij kunnen ons veroorloven uw jaloerse hoon te incasseren, daarvoor zijn onze huizen groot en rijk. Als beide partijen niet gelijk opgaan volgens ónze wensen, dan zal er geen huwelijk zijn. En dit onderhoud is ten einde.”
Beheerst heeft Jolanthe gesproken. Zij bet even de mond met een zijden pochette, zo ernstig heeft zij zich opgewonden. Abraham Lezer kijkt naar Tobias van Cleeff, die moeizaam en verslagen tracht op te staan. Zijn drift golft omhoog, want een Oudste van Israël is gehoond. Zwaar bonkt de slag van zijn sterke hand op de stoelleuning.
„Blijft zitten, schoonvader, hier is mijn laatste woord. Luister, huis Belmonte! Ik heb vijf jaar geleden de bruidsschat van Josina van Cleeff, mijn vrouw, geweigerd, die niet zo omvangrijk zou zijn geweest, als thans wordt geboden.”
Even flikkeren de ogen van Abraham Lezer, hij strijkt met een nonchalant gebaar langs zijn snorren en vervolgt: „Ik heb geweigerd omdat ik genoeg bezat en een vrouw wilde trouwen en geen brandkast. En omdat zij mij twintig jaren heeft gediend om niets meer dan haar loon en haar genegenheid. Waarom? Dat is haar zaak. Ik heb schuld aan dit huis Van Cleeff, deze grote familie van rechtschapen en eerlijke mensen, waarvan geen lid ooit is verlaten of gebrek heeft gekend. Daarom én om dit goede kind Mirjam, dat mijn vrouw verpleegt, dag en nacht, geef ik het ontbrekende tot de gestelde eisen. En ook voor de eer van de ashkenaziem kom ik op tegen u, sefardiem. Mijn bankier, Nathan Rothshild in Londen zal u remitteren op de dag der ondertekening van het huwelijkscontract.”
Zij zijn verrast, Tobias van Cleeff weert heftig af, Jolanthe zit stil en bedrukt te kijken, Ignaz glimlacht fijntjes naar Abra-
102