mensen gaat wier drift wegebt. Abraham Lezer kucht, slaat even hard de handen ineen, zodat men opkijkt en zegt: „U wilt mij toestaan een woord te zeggen, schoonvader? En u ook, mevrouw en mijnheer Belmonte? Ik heb met grote belangstelling geluisterd naar uw historische uiteenzettingen en het lijstje geteld van de grote voorname en anonieme voorvaderen, waarmee u in het toernooi bent gekomen. Ik kan hierin geen belang zien voor twee jonge mensen, levend vlees en ruisend bloed, die naar elkander verlangen. Ook die geweldige sommen maken geen indruk op me, want wat is de macht van slechts één stuiver, als een der kinderen hoofdpijn heeft of een bedorven maag?”
Ignaz grinnikt opeens plezierig, Jolanthes ogen vonken, To-bias van Cleeff kijkt verwonderd en treurig en Jochanan verslikt zich in een lach, die hij onderdrukken wilde. Abraham vervolgt: „Het lijkt mij het beste om de gestorven rabboniem en paardenhandelaren van de firma Van Cleeff maar verder te laten kibbelen met de scheepvaartvorsten en planters van de firma Belmonte. Ik hoop dat zij tot een compromis komen, wie mooier en beter was en wie op een zeker moment meer tonnen gouds in huis had. Laten zij voor de troon van het Opperwezen hun borsten betrommelen en vechten om de eerste plaats. Ik stel voor om beide partijen te laten beginnen zonder een sou van de ouders en alleen met dat wat in hun spaarpot zit. Hun hoofdkapitaal is hun wederzijdse genegenheid, het zal best renderen.”
Ignaz weert opgewonden af met zijn handen, alsof hij door een beest is besprongen, Jolanthe stampvoet onder haar crinoline, Tobias wrijft tersluiks over zijn vochtige ogen. Hij zegt: „Ik dank je, Abraham, maar ik heb ook bezwaren, dat mijn jongste met zorgen zou beginnen.”
„Met zorgen?” valt Jolanthe uit, „met zorgen? Zelfs de spaarpot van Manuel overtreft nog verre uw bruidsschat. Zij zouden kunnen leven van de rente van die spaarpot.”
„Nu ja, nu ja,” vergoelijkt Ignaz, want hij vreest niets méér
100