Hij vervolgde, vermoeid over de ogen strijkend: „Het is mij bekend, dat een onzer opperrabbijn was in Warschau in het jaar 1430, dat er één opperrabbijn was in Praag in 1560, dat in 1640 een onzer de grootste belastingpachter in Polen was. Wij zijn in Amsterdam sinds 1650, beroofd van al onze bezittingen in Mo-ravië, Galicië en Litouwen. Sindsdien handelend in vee en paarden. Een lange rij van eerbiedwaardige kooplieden, van vader op zoon, één naam, één bedrijf, één vermogen. Cijfers omtrent dit vermogen wil ik u niet geven, het zal u voldoende moeten zijn dat uw bankiers informeren naar het huis Aaron van Cleeff en Zonen, sinds 1652. Ik zal u zeggen hetgeen mijn dochter zal meebrengen als bruidsschat. Ik bestem daartoe tweehonderdvijf-tigduizend gulden in goud, een huis met inboedel, een uitzet tot twintigduizend gu'den. Het huwelijksfeest zal voor mijn rekening zijn. U moogt met rekenen op een erfenis, want de traditie van ons huis gebiedt dat het vermogen onverdeeld overgaat op de oudste zoon. Maar altijd zijn er fondsen in reserve, die verhinderen dat een kind van ons geslacht gebrek lijdt of armlastig wordt. Zeg mij nu waarmee het huis Belmonte zijn zoon een eigen leven laat beginnen.”
Hij opent de ogen, zijn donkere blik is rustig op Belmonte gericht.
Ignaz schuifelt wat in zijn stoel, kijkt schichtig naar zijn vrouw; dan draait hij zich naar het vuur om zijn handen te warmen en tijd te winnen voor zijn antwoord. Hij kucht, speelt nerveus met zijn gouden chatelaine, waarin een diamant flonkert en flonkert.
„Mijn dank en mijn respect voor uw antwoord, mijnheer Van Cleeff. Het huis Belmonte wortelt in Spanje en zijn overzeese bezittingen. Groot was onze handel in specerijen, in exotisch hout, in koren, in wijn. Fors waren onze belangen in plantages, in mijnen. Nog forser in de scheepvaart, want talloos waren de schepen onder eigen redersvlag.”
Hij wacht even, een hoogmoedig lachje komt op zijn gezicht nu hij het gezelschap rondkijkt. Hij vervolgt: „Rabbo-
98