93
weten we, dat we haast geen dak boven ons hoofd hebben. Maar we zijn toch niet bang. ־Want we weten, dat God voor ons zorgt. Zie je, God zorgt voor alles. Hij laat alles voor ons groeien. Vruchten, en takken, en hout, — alles, wat we noodig hebben. Die esroug-vrucht, — wat ruikt die heerlijk, hè? Die heeft God laten groeien. En die palmtak, — weet je, wat er aan zoo’n palm groeit? Dadels, heerlijke dadels. Die heeft God laten groeien. En die mirtetakken, — heb je ze wel geroken? Die heeft God laten groeien. En die kleine, grijze wilgetakjes, daar kunnen we toch nog het hout van gebruiken. En die heeft God laten groeien. Alles laat hij groeien. — Zeg, Eva, weet je nog wel, hoe we vlak na Pesach dien perzikenboom hebben zien bloeien? Weet je nog die fijne, rose bloemetjes? En hoe we toen samen die berocho hebben gezegd:
$לא חסר בעולמו דבר וברא בו בליות טובות ואילנות טובים לחנות בהם בני אדם:
T T ; v T ־ : • T * ;
Weet je ,t nog? Die berocho beteekent: dat God niets, heelemaal niets vergeten heeft in de wereld. Dat hij voor alles gezorgd heeft, — voor