202
toch werkelijkheid! O, want vader en moeder zouden het goed vinden, — als Heleentjes vader ze gekend had, zou hij er geen oogenblik aan hebben getwijfeld!
„Als een taak met zooveel geestdrift aanvaard wordt, vallen de moeilijkheden weg.”
Ja, daarvan had ze genoeg!
Maar ze voelde: geestdrift was het niet, wat ze het meest noodig had. Iets anders, — iets, dat • langer duurde.
Maar dat andere, — dat had ze óók. Ze wist het zeker.
Dat andere. Dat, wat Wies had. Want waren Wies’ moeilijkheden niet ook grooter, dan je eigenlijk zou kunnen verwachten dat ze kon dragen? Ze had het nu toch zoo vaak van dichtbij gezien, hoe veel er te verhapstukken viel voor de moeder van zulke kleine hummeltjes. En toch kón Wies het.
Nee, — geestdrift voor een taak was het niet.
Liefde voor een taak.
O, — en zij zou liefde hebben voor haar taak...
* *
*
„Moeder, ik heb een brief gekregen.”
Ze gaf moeder den brief over, maar zei:
„Eerst moet u even luisteren, want anders kunt u er niet uit wijs worden.”
En ze vertelde van haar heele geheimzinnige gedoe, den dag na haar examen. Ze vertelde van Heleentje, en van Heleentjes vader, die ook haar bijzitter bij ’t examen bleek te zijn. En ze ver-