170
maakte, had ze het ook in maanden niet gedaan. Haar gezicht en armen waren wit van het zeep-schuim, en stroomen water waren noodig om haar af te spoelen, — van louter tijd-weelde. Ze hadden geen haast, — geen haast, — zij niet en Marthi niet, — o, ongelooflijke luxe! Ja, als ze lang haar had gehad, zou ze vanmorgen wie weet hoeveel kapsels geprobeerd hebben en voor den spiegel en onder Marthi’s critisch oog gekeurd hebben. Nu was het haar, met een paar kamme-streken er door, het minst geslaagde van de heele toilet-onderneming.
Ze ontbeet met taart, omdat moeder nog altijd niet over haar eersten indruk heen was, dat Marthi’s eerste vraag de taart gegolden had. En Marthi alléén taart laten eten, dat was te ongezellig en te onvriendschappelijk ...
„Hoe laat zouden Bernard en Wies wel komen?” vroeg moeder zich af.
„Na Peetjes badje kunnen ze pas weg,” wist Greet. „Hadden ze maar een trein genoemd, dan gingen Marthi en ik ze af halen, hè Marthi?”
„Hè Marthi?” — dat was nog een restje van hun kinderachtigheid. Die zouden ze geen van beiden afleeren, met geen tien einddiploma’s nog niet!
„We kunnen toch gaan, al weten we den trein niet,” vond Marthi. „Zoo maar aan ’t station wachten, voor de zekerheid.”
Net toen ze dat gezegd had, stond er een taxi voor de deur stil.
„Dat zijn ze, — dat zul je zien!” gilde Greet, opgewondener dan ze ooit was.
Ze rende naar de deur en maakte die open, juist