154
„Och nee. Er is niet veel toekomst in het beroep van musicus.”
„Ja, dat is zoo,” gaf Greet toe. „Bernard en Wies zijn zoo arm als kerkratten. Maar ’t kan ze geen steek schelen, dat is tenminste een troost.” „Nee? Ik sta daar een beetje anders tegenover,” verkondigde Nol. „Ik vind het nogal van belang, of je carrière maakt.”
„Ja, dat snap ik,” knikte Greet ijverig. O, ze snapte het, — het klopte precies met haar voorstelling van Nol. „In welk vak ga je carrière
maken?”
Nol keek even wantrouwig opzij naar Greet. Nam ze een loopje met hem? Maar Greet fietste onverdroten voort en keek ondoorgrondelijk recht voor zich uit.
„In de rechten.”
„O ja, dat is veel beter voor je,” moederde
Greet. „En waarvoor speel je dan viool?”
„Och, — ’t zou zonde zijn om dat te verwaar-loozen. Bij mijn aanleg...”
„Ja,” zei Greet, maar haar stem sloeg bijna over van den onbedwingbaren grinnik. Nol hoorde het gelukkig niet.
Wat een genot toch eigenlijk, peinsde ze, als
je zoo tevreden over jezelf was als deze Nol bleek te zijn. Wat een bron van vreugde voor jezelf. Maar aan den anderen kant, — hoe kon je dan ooit iets goeds voortbrengen, als je alles al lang goed vond zóó als het was... Nee, zoo als Bernard speelde, zoo zou Nol nooit spelen, met al
zijn vlugge viool-vingers en met al zijn zuiver gehoor niet. Dat kon toch niet, als je aldoor in aanbidding naar je eigen spel luisterde ...