152
Hij kon dan zoo goed spelen als hij wou, — Greet kreeg geen nieuwe gezichtspunten terwijl ze rechts van Nol fietste. Eigenlijk had ze graag een vaartje er in gezet, zooals ze dat deed als ze alleen fietste en haar lange beenen eens flink gebruiken wou. Maar haar eigen, dierbaar vaartje paste zoo weinig bij iemand als Nol, die vervelend en geaffecteerd doorzaagde over allemaal dingen, waar Greet niets voor voelde.
„Laat ik over muziek beginnen,” dacht Greet, „want hij spéélt tenminste goed.”
„Eh... hoor je veel concerten?” begon ze.
„O ja, heel veel.”
„Ik alleen volksconcerten,” zei Greet rad, „want de andere concerten, dat kan er niet af, zie je?” „O, juist,” zei hij pijnlijk. En toen volgde er weer een zwijgen.
„Laat-ie nou zelf ook es wat zinnigs zeggen,” dacht Greet boos. „Waarom moet ik het altijd opknappen?”
„Hoe lang heb je al vioolles?” vroeg ze toch maar weer goedig.
„Al acht jaar. Ja, een heelen tijd. Ik heb een aardige hoogte bereikt in die jaren, vind je niet? Heb je mij gisteren gehoord?”
„O ijdel ventjen,” dacht Greet, maar hardop jokte ze:
„Nee, toevallig niet.”
„Dat is jammer,” betreurde Nol, „je zwager is heel tevreden over mijn spel.”
Even wou ze er eerlijk uitflappen „dat weet ik”, maar uit opvoedkundige overwegingen slikte ze dat nog bijtijds in en vroeg nuchter: „O ja?”
„Ja, — heeft hij dat niet verteld?”