143
„U bent vanmiddag al bij haar op bezoek geweest.” Ijzig. Afgemeten.
„Is ze wakker?”
„Mevrouw heeft net geslapen.”
„O, hoera,” juichte Greet, en was al bij de slaap-kamer-deur.
Ze ging zachtjes naar binnen. Wies lag wakker; er was alleen een rossig schemerlampje op naast haar bed, — verder was het donker.
„Ben je daar weer?” vroeg Wies verrast.
Greet bleef bij de deur staan. Na den gehaasten marsch viel de rust en de vrede van deze kamer zoo verwonderlijk onverwacht op haar.
„Wat... móói is het hier,” zei ze ontdaan. „Die wieg... en jij ... Wies, je bent heusch móói nu.”
„Malle,” lachte Wies, „ben je teruggekomen om me dat te zeggen?”
„Nee.”
Greet zuchtte diep, om de betoovering van zich af te schudden.
„Ik ben teruggekomen — om je dit te brengen.”
Ze legde de wilgetakken op Wies’ laken.
„Ik heb ze zelf geplukt. Wist je al, dat het lente was?”
Wies’ hand aaide over de katjes. Greet moest aldoor naar die hand kijken, smal en rossig in het licht van het lampje. Daardoor merkte ze niet, dat Wies niet dadelijk antwoordde.
„Nee, ik wist het nog niet,” zei Wies eindelijk.
Greet keek op van die hand. Ze zag Wies’ oogen vreemd, vochtig blinken in het schemerige licht.
Wies lachte verlegen.
„Als moeders pas een nieuw kindje hebben ge