HOOFDSTUK VIII.
Met de gebruikelijke tegenwerpingen, maar toch buitengewoon graag, was Wies ’s middags „te kooi ’ekropen.” De teleurstelling om Maartje had haar meer aangepakt, dan ze door haar gekheid heen wou laten merken; maar een paar trillende lippen en een lachbui, toen ze aan tafel wat morserig was uitgevallen, — een lachbui, die dadelijk in tranen-lachen overging, — hadden haar door de mand doen vallen. Bernard, overigens niet zoo scherp van gezicht, had met ongewone snuggerheid geconcludeerd, dat ze moe was.
„Als jullie het woord moe zegt, ga ik beslist huilen,” weerde Wies af.
Bernard noch Greet hadden het woord „moe” weer durven gebruiken, maar, om het woord heen-draaiende, hadden ze samen vastgesteld, dat Wies vanmiddag moest slapen.
„O, zalig,” had ze tenslotte gezegd, toen ze zich tusschen de koele lakens had uitgestrekt.
„Zie je nou wel?” triomfeerde Greet.
En op de teenen, met moederlijke gevoelens jegens Wies en grootmoederlijke jegens Eetje en Teetje, was ze de slaapkamer uitgegaan.
Bernard was de deur uit, de jongetjes sliepen, Wies sliep, het meeste werk hadden ze vanmorgen klaar gekregen, — alleen wat worteltjes