en streek toen nog haar ronde, betraande wang langs Lea’s hand.
Lea zei: ‘Oudje! Het zal allemaal best meevallen!’
Maar in haar hart geloofde ze zelf niet wat ze zei en dacht ze met zorg aan de eenzame dagen, die voor tante Saar nu komen zouden.
Toen, om haar te troosten, fluisterde ze haar iets in ’t oor, dat de zon dadelijk door de wolken deed breken.
‘Meen je dat? Doe je dat heus?’
‘Ja!’ knikte Lea. ‘Ik heb er de laatste dagen telkens over gedacht. Vóór ik naar huis ga, moet ik Rozijntje zien.’
‘En zul je me schrijven of ze het daar goed heeft bij die mensen ?’
Die mensen klonk wat smadelijk, maar ze bedoelde het goed.
‘Ik zal alles schrijven,’ beloofde Lea.
‘Och, och, had het me maar eerder gezegd! Dan had ik toch een boterkoek kunnen bakken. Dan had het kind het toch op kunnen eten, als ze eens trek krijgt in iets lekkers. Och, och, nou heb ik niets in huis,’ klaagde ze.
Maar een nader onderzoek bracht aan het licht, dat er toch nog wel iets in huis was: een paar sappige peren uit de tuin zelf.
Ze werden in talloze vloeitjes gewikkeld en in Lea’s koffer gevlijd, toen Jupie al stond te trappelen van ongeduld, omdat ze absoluut te laat aan de trein zouden komen.
Tante Saar wuifde Lea na en veegde maar niet eens de tranen meer af, die voortdurend bleven lopen.
Lea wuifde terug. Maar Jupie liep ongeduldig voort, zoals alle mannen dat doen, die met dat vrouwengewuif niets te maken willen hebben.
Ze zeiden niet veel tegen elkaar onderweg.
Jupie lanceerde nog even een opmerking over het mooie weer, dat helemaal niet mooi was, en over de duur van de weg van hun huis tot aan het station.
Lea was stil. Het viel niet mee allemaal. En toch ging ze zo iets moois tegemoet.
96