Niemand anders dan tante Saar wist het.
En tante Saar had in kleine, opgevouwen briefjes met dure eden moeten beloven, dat ook niemand anders er iets van weten mocht.
Wanneer ze komen zou, en hoe, en waar ze het eerst heen zou gaan voordat ze bij vader thuis belandde, dat alles wist tante Saar en ze hield het plichtsgetrouw geheim.
En zo kwam het, dat niemand anders dan Rozijntje zelf en tante Saar wisten, waarom op het kaartje aan Rozijntjes fiets de naam stond van het dorp, waar haar oude Joodse meester woonde.
En zo kwam het, dat niemand daar aan het station haar verwelkomde, dat ze moederziel alleen haar fiets in ontvangst nam en het kleine eindje naar meneers huisje in alle eenzaamheid fietste.
Vreemd. Ze was wel eens veel eenzamer geweest tussen veel mensen.
Nu straalden haar ogen alsof ze denken moest aan iets heel moois.
Toen ze binnenkwam, zat meneer met een dik, groot, Joods boek voor zich en op de canapé, diep weggedommeld in het dikke kussen lag mevrouw.
Meneer keek op en Rozijntje, de deurknop nog in de hand, legde een vinger tegen de lippen, dat hij stil moest zijn en mevrouw moest laten slapen.
Ze ging op haar oude plaatsje zitten tegenover meneer en over het dikke boek heen vroeg hij fluisterend:
‘Er scheelt toch niets aan? Hoe kom je ineens hier?’
Ze lachte zo blij en stralend, dat ze niet hoefde te zeggen, dat er niets aan scheelde. En fluisterend over het dikke boek heen zei ze:
‘Ik ben gekomen, hierheen gekomen uit de grote stad. Ik ga niet meer terug.’
En toen meneer vragend zijn wenkbrauwen optrok, ging ze verder:
143