werd het verlangen van Jack om eens te komen kijken naar die vader en moeder, die alles konden, die grote broer, die toch in ieder geval een lange broek had, die drie zusjes en twee broertjes, die allemaal zo bijzonder waren.
Hij verlangde bij Mo thuis dat laajnen eens te horen. Want op zijn aandrang om het onderweg eens te doen, had Mo bondig geantwoord: ‘Ben je gek, vent?’
De eerste verdere toenadering was geweest, dat Jack thuis gevraagd had of hij zijn nieuwe vriend van school mee mocht brengen. Die was pas hier in de stad komen wonen en nu in Jacks klas terechtgekomen.
Mo’s luide stem werd aanmerkelijk zachter, toen hij struikelend de drempel van Jacks huis overschreden had.
Hij stotterde tegen mevrouw, liep omzichtig om de mooie diepe stoelen heen en begon zich pas veilig te voelen, toen hij in de speelkamer beland was.
‘Wat een reuze-fijn huis, zeg!’ was zijn oordeel. ‘Bij ons is het niet zo, hoor!’ Dit met het oog op een eventueel later bezoek van Jack en de teleurstelling, die daar het gevolg van kon zijn.
Toen ontdekte hij met een schorre schreeuw Jacks meccano.
‘Gom! zeg!’ En het volgend ogenblik zat hij op de grond, zijn gezicht bijna zo rood als zijn haar, en schroefde en draaide en peuterde en wat het wonderlijkste was, hij was echt stil.
De volgende dag kwam de uitnodiging tot een tegenbezoek.
‘Ik mag je meebrengen!’ luidde die.
En die hele dag op school kon Jack haast niet zijn gedachten houden bij de les, omdat hij zo vol was van het verlangen om de broer van dichtbij te zien en alle anderen in dat huis.
Lootje zou maar meteen naar huis gaan. En heimelijk voelde Jack het als een glorie, dat het zijn vriend, zijn speciale vriend was.
Toen ze Mo’s huis binnenkwamen, schreeuwde Mo schor naar binnen.
130