HOOFDSTUK XIX
De nieuwe vriend
Toen Jack en Lootje weer geregeld schootgingen en Rozijntje nog altijd de moed niet gevonden had om Jack te zeggen, dat het niet zo heel lang meer zou duren of ze zou van hem weggaan - want dat stond nu wel vast bij haar - toen Rozijntje bij iedere keer, dat Jack, stilletjes en geheimzinnig lachend, haar ‘Rozijntje’ noemde, een steek voelde alsof ze hem bedroog, toen kwam op een goede dag Mo uit de lucht gevallen.
Mo was wel een half hoofd kleiner dan Jack, al was hij even oud.
Daarentegen was hij veel dikker en ronder.
Mo droeg een vuurrode, steile kuif, en zijn wangen en neus zaten dik onder de zomersproeten.
Mo praatte met een hese stem en beweerde de geweldigste dingen, zodat Jack en Lootje bijna voortdurend dubbel lagen van het lachen.
Mo droeg een bril, die bijna iedere week stuk was.
Mo kon vlot oren; beweerde zelfs, dat hij al laajnen kon. Maar dat werd door Jack en Lootje bescheiden in twijfel getrokken.
Mo had een vader, die alles kon, en een moeder van hetzelfde soort.
Mo had een grote broer, die al minstens een half jaar een lange broek droeg en naar Mo’s bewering ook een snor had. Maar toen ze eens een jongeling op straat ontmoetten en Mo Jack in de arm kneep en zei: ‘Dat is ie nou!’ toen had Jack natuurlijk het eerst naar de broek en de snor gekeken en geconstateerd, dat de broek waar was en de snor niet.
Mo had bovendien nog twee broertjes en ook nog drie zusjes. En ze konden of hadden allemaal iets knaps of bijzonders.
Hoe opgewondener de verhalen van Mo werden, des te groter
128