toch?’
Ze stapte af en bracht de fiets achterom, voorzichtig uit gewoonte. Maar het prettige van een verrassing kon ze nog niet voelen, daar waren haar gedachten te vol en te bezorgd voor.
Ze liep naar vóór terug, en vóór ze de deur in ging, kreeg ze ineens de inval, om door de kleine ruitjes, tussen de witte gordijntjes, naar binnen te kijken.
De bloempotjes stonden haar wat in de weg, en het eerst, wat ze met schrik merkte, was, dat de plantjes er allerakeligst en slap uitzagen.
Foei, dat was niets voor mevrouw! Alles was toch wel bij ’t oude?
Toen ze eindelijk een goed kijkgaatje gevonden had en aan het getemperde licht in de kamer gewend was, ontdekte ze meneer, die bedrijvig heen en weer scharrelde. Met zijn oude ogen, wat gebukt om beter te kunnen zien, snuffelde hij in de kast, zette een paar kopjes van de tafel op de kastplank.
Wat betekende dat toch? Meneer met kopjes aan ’t scharrelen? Waar was mevrouw dan? Alles was toch wel bij ’t oude?
Ze trok haar hoofd terug van ’t raam en streek zich even over ’t voorhoofd. Ze moest iets overwinnen, eer ze naar binnen ging. Waarom was ze toch hierheen gegaan? Om raad, om rust. Om alles te vinden, zoals ze ’t het laatst gevonden had. En nu leek alles wel anders.
Toch ging ze naar binnen en klopte zachtjes aan.
‘Ja?’ kwam meneers stem, wat gejaagd, ‘ja-ja?’
Toen:
‘Rozijntje! Kind, kind!’
Hij zette een bordje, dat hij in de hand had, weer op tafel neer, en ging, wat ontdaan, in zijn stoel zitten.
‘Waar is mevrouw?’ vroeg Rozijntje angstig, met een blik op de verdorde plantjes.
Meneer schudde mistroostig het hoofd.
123