HOOFDSTUK XVIII
Alles bij ’t oude?
Wat moest ze toch ?
Het hield haar bezig, al de dagen, die ze thuis doorbracht. Het maakte haar stil en bedrukt; de jongens gaf ze vriendelijk-afwezige antwoorden, zodat Jack zich ging afvragen, of hij ook iets onaardigs tegen haar gedaan had.
En toen ze geen antwoord wist, elke dag opnieuw niet, wist ze opeens, dat ze naar meneer toe moest gaan. Niet met haar drie jongens, zoals ze eerst van plan was geweest, - alléén moest ze er zitten aan het pluche tafelkleed, met een kopje thee voor zich en de lieve gezichten van meneer en mevrouw tegenover zich.
Ze moest zich weer voelen, of ze Joodse les kreeg. Dan hoefde ze niet dadelijk met haar moeilijkheden voor de dag te komen, alleen maar luisteren, alleen maar indrinken de rust en het vertrouwen, die meneers woorden haar altijd gaven.
Ze ging er op een lentemorgen heen, toen de bloeiende vruchtbomen pronkten in de zon. De hele weg leek een erepoort, opgericht voor Rozijntje, die haar oude Joodse meester ging opzoeken. Ze voelde het als een groet van dit land, waar ze toch eigenlijk thuis hoorde.
Telkens doemde voor haar gedachten de lawaaiïge, haastige stad op, en dan schudde ze ’t hoofd en dacht: ‘Nee, daar hoor ik niet thuis.’
En dan keek ze rond en kon de rijkdom niet óp van de roze bomen, en dan knikte ze en dacht: ‘Ja, hier hoor ik thuis.’
Maar dan zag ze een verdrietige jongenskop vóór zich en ze dacht: ‘Wat moet er dan met Jack?’
En dan keek ze naar de boomgaarden en naar de koeien, die eronder graasden - als om hulp. ‘Wat moet ik toch? Wat moet ik
121