Maar ze vertaalde het gauw even voor de jongens in:
‘We gaan naar Jupie! We gaan naar Jupie!’
Ja, nu hoorden zij het ook! Vreemd dat ze dat niet eerder gehoord hadden! En ze hadden toch al zo vaak in hun leven in de trein gezeten.
Er werden heel wat balletjes en chocolaatjes en vruchten gegeten op die reis. En Lootje wou wel alle medereizigers met zijn lekkers voederen.
Jack noteerde de tussenstations. Voor wetenschappelijke doeleinden. Hij moest dat op school allemaal vertellen, beweerde hij.
Toen, plotseling, waren ze er.
Het verlamde Rozijntjes uitbundigheid, dat ze nu zo heel dicht bij huis was. Dat er misschien op dit perron één van thuis stond om haar mee te nemen, om met haar te lopen op die weg, die haar zo bekend was en zo heel vertrouwd.
‘We zijn er!’ fluisterde ze. En de jongetjes veranderden opeens weer in bleke stadsjochies.
Toen zag ze iets diks en iets kleins. En ze wist, dat dit tante Saar en Jupie waren.
‘Rozijntje!’ schreeuwde Jupie.
Rozijntje bukte zich en werd bijna vermorzeld door twee heel stevige armen. Van haar sterke, gezonde Jupie!
‘Rozijntje!’ zei tante Saar en zoende haar dat het klapte.
‘Dat is Jupie,’ haastte ze zich te zeggen, toen ze weer tot bezinning kwam.
Maar de voorstelling was niet nodig. Jupie tikte aan zijn pet en mompelde: ‘Tabéh.’
Vóór ze bij de uitgang waren aangeland, trok Jack haar aan de arm.
‘Ik moetje even wat vragen,’ fluisterde hij.
Rozijntje bleef even achter de anderen lopen met hem.
‘Hoe heet je?’ vroeg hij, terwijl hij haar doordringend aankeek.
111