Maar Jack gaf hem een ribbestoot en zei:
‘Hou je mond toch met je daagjestellerij. Dan verlangt ze toch veel te erg.’
En toen wist Rozijntje, dat Jack nog erger verlangde dan zijzelf.
Toen de vier daagjes om waren, waren het twee spierwitte gezichtjes, die uit het autoraampje keken.
Jack had op de bok gewild, maar zijn vader vond de opwinding zo al meer dan welletjes, en Jack had er zich wonderlijkerwijze dadelijk in geschikt. Er stond hem zoveel moois te wachten, dat hij het kleine genoegen van naast de chauffeur te zitten, makkelijk offeren kon.
Rozijntje zat midden tussen de jongens in, tegenover hun drietjes zaten meneer en mevrouw.
Haar hart klopte wonderlijk hoog in haar keel, nu ze voor het eerst weer naar huis ging. Als de jongens haar wat vroegen, schraapte ze haar keel, voordat er een behoorlijk antwoord uit kwam.
Tot in de trein bleef dat zo. Maar toen ze hun plaatsjes genoeglijk hadden ingericht alsof ze minstens een nacht en een dag moesten doorreizen, en toen de vader en de moeder een laatste vermaning en een laatste groet en een laatste kus aan hun jongens hadden gegeven, en het deurtje dichtging, toen kwam er zo’n diepe vrolijkheid over haar als ze in tijden niet gekend had.
Onder het rijden van de trein vertelde ze en praatte ze en lachte ze en plaagde ze tot de jongens helemaal meegesleept werden en er weer wat kleur kwam op hun witte wangen.
Zo moest ze ze hebben, als ze straks met ze bluffen wou tegenover de mensen van het dorp. Wat zouden ze wel denken, als ze daar aankwam met een paar stille, verlegen stadsjongetjes! De smaad van het ganse dorp zou haar treffen als een persoonlijke belediging!
‘Ik ga naar huis! Ik ga naar huis!’ dreunde de trein.
110