‘Maar ik toch wel,’ bedelde Jack. ‘Ik kom toch wel op een kermisbed?’
‘Jij komt op een kermisbed,’ beloofde Rozijntje.
Was het vooruitzicht er niet geweest van zo gauw naar haar eigen huis te gaan, dan was die Seideravond wel een heel moeilijke geworden.
O, wat was alles anders dan thuis!
De wijsjes waren het niet, waar ze zo naar verlangde. Want vader was zelf niet erg zing-achtig.
Ze wist zelf niet wat het was.
Misschien de haast. Misschien omdat de hele avond hier onbegrepen voorbijging. Misschien ook, omdat ze niet van te voren met meneer erover had kunnen praten.
Meneer en mevrouw, in dat kleine dorpje, waar ze winter en zomer heen gefietst was.
Ze dacht ineens, dat ze nu het meest nog naar meneer verlangde.
Wat had ze lang niet aan ze gedacht! Ze moest er heen, als ze die week thuis was. Er heen gaan met haar twee jongens, nee, met haar drie jongens.
Die avond waren haar gedachten zo bitter weinig bij wat er met grote haast gelezen werd, en zo bitter veel bij thuis.
En wonderlijk! Het allermeest bij vader. Ze kreeg een gevoel of ze hem toch maar lelijk alleen gelaten had. En ze zag hem telkens zitten zoals anders op Seideravond, maar wel heel moe, en een beetje verdrietig ook wel. Was het goed van haar geweest, dat ze weg was gegaan?
Wat vreemd, dat ze daar nu pas aan dacht, juist voor het eerst op Seideravond en nog wel nu ze zo gauw naar hem toe ging.
De volgende morgen, in zijn pyjama nog, zei Lootje bemoedigend:
‘Nog vier daagjes, hè?’
108