bengelden de twee brede strikken. Om het hoofd en de oren voelde het los en raar, maar ’t zou wel goed zijn zo, - zij had zich er niet mee te bemoeien.
Nu de jurk aan. Die werd voorzichtig over haar hoofd gegooid, de armen erdoor gestoken, - hu, wat raar, zo zonder mouwen, maar toch fris ook, - rechtgetrokken...
Ze stonden haar allemaal blij-lachend aan te kijken.
‘Ga nu maar naar de spiegel.’
Ze ging.
En ze zag:
Een meisje, dat ze niet kende, dat ze nog nooit ontmoet had. Een meisje met opgewonden donkerblozende wangen, met glanzende ogen, met een lijst van losgolvend haar om het gezicht, en twee lange vlechten vóór haar schouders. Een meisje met een losse, lente-achtige lichtgroene jurk, en tegen haar éne schouder een grote bloem.
Wie was dat meisje toch?
Was zij dat? Was dat Rozijntje, vaders huismoedertje en Jupie’s grote zus, was het Rozijntje van de wastobbe en de aardappelen en soeppan en de verstelmand en de dweil en bezem?
Neen, - wie het was, wist ze niet, maar Rozijntje was het niet.
Langzaam, langzaam keerde ze zich om naar die achter haar stonden.
Ze zag drie lachende gezichten.
‘Nou?’
‘En?’
‘Ben je tevreden?’
Ze wist niet wat ze zeggen moest. Ze kon toch niet vertellen dat ze het meisje in de spiegel niet herkend had.
Ze zuchtte alleen maar heel diep, en lachte verlegen.
‘Ik... ik...’
Toen werd ze meegesleept door de blijdschap van de anderen en
91