tante had!’
‘Nee.’
Er viel een stilte.
Rozijntjes hart klopte in haar keel. Had ze een tante? Waarom had ze dat nooit geweten ?
‘Waarom...’
‘Och’, zei vader alleen.
Toen ging Lea zacht de keuken uit. Rozijntje merkte het niet eens. Ze hield haar ogen strak op vader gericht.
Vader merkte het wel. Hij voelde iets van dankbaarheid ervoor tegenover Lea.
‘Och’, begon hij weer. ‘We zijn boos op elkaar.’
‘Boos? Zó lang boos?’
Ze dacht aan haar en Jupie en over haar wit gezichtje vloog een lachje.
‘Hoe kan dat?’
‘Och, ik weet zelf niet.’
Hij wachtte en blies een rookwolk uit.
Ineens begon hij, meer tegen zichzelf dan tegen Rozijntje:
‘Als je nagaat... ik weet niet eens meer recht waarom... Maar ik heb nooit willen goed worden, omdat dat betekende, dat ik ongelijk had. En ik had geen ongelijk.’
‘Waarom niet?’
Vader trok de schouders op.
‘’k Weet ’t niet precies meer. Maar ik had gelijk.’
Zijn lippen trokken stug tot een gesloten streep.
‘Is ze dan een akelig mens?’ vroeg Rozijntje hees.
‘Akelig? Waar haal je dat vandaan?’
‘Omdat u boos op haar bent.’
‘Omdat ik boos op haar ben, hoeft ze nog niet akelig te zijn!’ wond vader zich op. ‘Ze is... ze was... ze was... erg lief.’
Rozijntje wachtte gespannen.
134