‘O ja, makkelijk.’
En Lea speelde voor: do-re-mi-fa-sol-la-si-do.
Rozijntje keek scherp toe, ook toen Lea het nog eens over deed.
‘Geef op. Nu probeer ik het.’
Ze speelde ook: do-re-mi-fa-sol-la-si-do.
‘Schitterend!’ prees Lea.
Rozijntje lachte. Ze wist niet, dat de fluit al vat op haar begon te krijgen, al kon ze er nog haast niet op spelen. Dat de zorgeloosheid van een muziekding in haar huis al over haar kwam.
‘Nu een wijsje’, zei ze.
En ze zocht in haar geheugen naar het makkelijkste wijsje van school nog.
Ze tuitte haar lippen om het witte ding, en Lea en Rozijntje keken elkaar lachend-verwachtend aan, wat er wel uit zou komen.
En opeens drupte daar bescheiden een deuntje door het kleine slaapkamertje het open raam uit, de koude lucht in.
Alles blij Maakt de mei,
Alles opgewekt en blij...’
Midden in de winter!
En Jupie zat beneden zijn wonderding te bekijken.
Tot hij boven hoorde: tuut-tuut-tuut.
Zou Rozijntje een muziek-ding gekregen hebben? Een mondharmonica misschien?
Wel enig om te krijgen!
Hij keek z’n wonderding eens aan.
Wat was beter, een muziek- of een wonderding?
Nee, het wonderding. Want daar kreeg je de centen van, èn de chocolaatjes, èn het wonder.
130